zondag 15 augustus 2010

Sociologische determinanten van hart- en vaatziekten

In verband met een Europese subsidieaanvraag waar Martin McKee en Clara Chow worden betrokken kreeg ik van hen een hoofdstuk uit een dit jaar gepubliceerd leerboek over cardiovasculaire ziekten.

De invloed van sociologische determinanten op de gezondheid
Centraal staat de vraag: waarom zijn sommige bevolkingsgroepen gezonder dan anderen, zijn er risicofactoren met geografische en sociale patronen? Hoewel op dit moment de zoektocht naar genetische verklaringen van die verschillen in het onderzoek domineren, is er in allerlei studies beschreven dat bijvoorbeeld bij de migratie van bevolkingsgroepen naar andere landen die mensen de risico's overnemen van de mensen die in die landen wonen. Er zijn een aantal studies die aantonen dat psychosociale factoren ook een belangrijke rol spelen. In de INTERHEART studie kregen mensen met stress op het werk of thuis beduidend vaker een hartinfarct dan mensen zonder die stress (OR 1,38).

Gezinsverbanden en andere netwerken
Gezinsverbanden is het meest intense sociale netwerk. Zo zag men dat het hebben van een vaste relatie beschermt tegen hart en vaatziekten, zelfs na correctie voor de gebruikelijke risicofactoren.
Dit geldt ook voor sociale netwerken in bredere zin. Meedoen aan sociale interacties beschermt tegen hart en vaatziekten en geeft een langer leven. Dat geldt voor het meedoen aan vrijwilligerswerk, dit geldt voor wonen in wijken met een goede sociale cohesie en met een lage misdaad. Effecten van werkomgeving zijn tegenstrijdig.

Ingewikkelde relaties
De invloed van sociologische determinanten is een legpuzzel waarvan nog maar enkele stukken bekend zijn. Niet vreemd als men zich realiseert dat er overlappende domeinen bestaan zoals gezin, woonomgeving en werk. Het onderzoek naar deze factoren is ingewikkeld en heeft veel beperkingen. De methoden zijn niet gestandaardiseerd, niet alle verstorende factoren zijn bekend, en bovendien kunnen allerlei biologische determinanten een verstorende rol spelen.

Conclusie
Wel mag men uit het bestaand onderzoek voorzichtig concluderen dat sociale isolatie, werk stress, en controleverlies over de manier van leven, een ongunstige uitwerking heeft op de gezondheid. Er is veel meer onderzoek op dit gebied nodig om de mechanismen te ontrafelen.

The social determinants of cardiovascular disease. M.McKee, CK Chow. in Evidence-based Cardiology, 2de edition 2010; Blackwell Publishing

zondag 8 augustus 2010

Hoe laag moet het HbA1c dalen bij mensen met diabetes?

In de meeste richtlijnen voor de behandeling van type 2 diabetes wordt gesteld dat de streefwaarde van het HbA1c gehalte lager moet zijn dan 7,0%. Zo wordt insuline behandeling in de NICE richtlijnen voorgesteld bij een HbA1c hoger dan 7,5%. Het is onzeker of bij een optimale behandeling van de risicofactoren van hart- en vaatziekten, de beschreven richtlijnen voor het behandelen van diabetes gezondheid voordelen bieden.

Nieuwe studies
Er zijn nogal wat studies die dit ter discussie stellen. De ACCORD, ADVANCE en VADT trials lieten al geen duidelijke voordelen zien van een intensieve glucoseverlaging met betrekking tot hart- en vaatziekten. Nu zijn er recent twee interessante andere publicaties verschenen.

UKGPRD studie

In de eerste plaats de publicatie uit de Lancet van februari 2010. Dit is een retrospectieve analyse uit de zogenaamde UK General Practice Research Database (UKGRPD). Het is een analyse van gegevens over de periode vanaf 1986 tot aan 2009. Bijna 28.000 patiënten zijn meegenomen, waarbij de behandeling werd geïntensiveerd van een tablet behandeling met één middel naar een tablet behandeling met meerdere middelen of een tablet behandeling in combinatie met insuline. De primaire uitkomstmaat was algehele sterfte. De studie liet een U-vormige relatie zien tussen HbA1c hoogte en algehele sterfte met een laagste sterftekans bij een HbA1c van 7,5%. Met insuline was de sterftekans niet significant iets hoger. Uitgedrukt in percentages waren de sterfte percentages: HbA1c 6,4%=18%; 7,0%=16%; 7,3%=15%;7,5%=12%;7,8%=11%; 8,1%=13%; 8,5%=13%; 8,9%=14%; 9,4%=15%; 10,6%=17%.
Nu heeft deze studie een aantal beperkingen: in de GRPD data zijn er ontbrekende waarden, HbA1c metingen zijn niet gestandaardiseerd, het is een retrospectieve studie en geen RCT waardoor niet is gecorrigeerd voor gegevens die de relatie kunnen beïnvloeden. Een aantal voorbeelden daarvan zijn, etniciteit, duur-respons effecten, effect van hypoglycemie, en mate van de behandeling van de cardiovasculaire risicofactoren. Bovendien houdt een dergelijke studie geen rekening met dat dokters om allerlei redenen bepaalde behandelingen kiezen en veranderen, rekening houdend met individuele kenmerken van de patiënt. Daarmee introduceert de studie een belangrijke bias namelijk dat dokters voor hoog risico patiënten andere keuzen maken dan voor patiënten met een laag risico.

Meta-analyse gerandomiseerde trials
Een tweede studie werd gepubliceerd in mei 2009. Dit betrof een meta-analyse van 5 prospectieve gerandomiseerde trials gericht op intensieve glucose regulatie. De effecten op sterfte en hart- en vaatziekten werden geanalyseerd. Wat bleek uit deze meta-analyse: intensieve behandeling had geen effect op totale sterfte en op het voorkomen van een CVA. De kans op coronaire hartaandoeningen en niet dodelijke hartinfarcten was wel significant lager bij een intensieve behandeling (RR 0,83). De winst op individueel niveau (wat is je persoonlijk voordeel) was echter bescheiden. Om een niet dodelijk hartinfarct te voorkomen moest men 5 jaar 131 personen behandelen, met andere woorden de zogenaamde Number Needed to Treat (NNT) was 131. Het gemiddelde HbA1c was 7,0% in de intensieve behandeling en 7,5% in de niet intensieve behandeling.

Conclusie
Uit al deze studies lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat het niet zinvol is om het HbA1c% lager dan 6,5% te brengen. Bovendien lijkt het dat als daar een intensieve behandeling voor nodig is, het gehalte niet lager dan 7,0% moet worden gebracht. Bovendien is het een geruststelling voor die mensen met diabetes die niet in staat zijn het gehalte onder de 7,5% te brengen, het lijkt allemaal niet zo veel uit te maken in sterfte.

HbA1c 6,0%=42 mmol/mol; 6,5%=48 mmol/mol; 7,0%=53 mmol/mol; 7,5%=59 mmol/mol; 7,9%=63 mmol/mol.

Currie CJ et al. Lancet 2010; 375: 481-489
Ray KK et al.Lancet 2009; 373: 1765-1772

zaterdag 17 juli 2010

Risico op kanker bij het gebruik van insuline

Recent werd een Onderzoek gepubliceerd in Diabetes Care met betrekking tot het verhoogde risico op het ontstaan van kanker bij het gebruik van het langwerkende insuline Glargine.
Geneste case controle studie
Het onderzoek werd verricht als een geneste case-control studie. In een geneste case controle studie worden de specifieke ziektegevallen die in een goed gedefinieerd cohort voorkomen, gematcht met een aantal personen uit het cohort die de ziekte niet hebben ontwikkeld. De matching wordt op bepaalde van te voren bepaalde kenmerken uitgevoerd. De methode heeft voor- en nadelen. Een voordeel is dat het relatief efficiënte en goedkope methode is en heeft voordelen boven een case-controle studie omdat er geen sprake is van recall bias. Echter het nadeel is dat de personen die niet de ziekte hebben ontwikkeld geen goede representatie zijn van het oorspronkelijke cohort door eerder overlijden of door dat een aantal personen uit het cohort zijn weggevallen.
Uitvoering van de studie
Met deze nadelen in het achterhoofd is de studie wel mooi uitgevoerd. Men had in het oorspronkelijke cohort 1340 insuline gebruikende personen en men matchte voor iedere persoon die kanker ontwikkelde 5 personen die dat niet kregen met eenzelfde follow-up duur. Men matchte bovendien op leeftijd categorieën, geslacht en BMI categorieën.
Resultaten
Men vond 112 personen die kanker ontwikkelden met een gemiddelde follow-up duur van 6,5 jaar. Het risico op het ontwikkelen van kanker hing niet af of men al dan niet insuline gebruikte. Ook het soort insuline maakte daarbij niet uit. Wel bleek hogere dosis Glargine het risico op het ontwikkelen van kanker te verhogen. Dat gold met name voor borstkanker.

Conclusies
Er zijn nog wel opmerkingen te maken over deze studie. Veel gegevens over de vrouwen die borstkanker ontwikkelde werden niet in de studie meegenomen. Bovendien is de bias die wordt veroorzaakt omdat dokters bepaalde argumenten hebben om een langwerkende insuline te geven, niet meegenomen in de studie. Een lineaire relatie met de hoeveelheid insuline werd niet gevonden maar alleen als er een redelijk arbitrair afkappunt werd gekozen. Het mechanisme waardoor een hoger risico zou bestaan, blijft tenslotte ook onduidelijk.
Hoe dan ook, alert blijven op een mogelijke relatie is de voornaamste boodschap die deze studie oplevert.

referentie: Doses of insulin and its analogues and cancer occurrence in insulin-treated type 2 diabetic patients. E Mannucci et al. Diabetes care 2010

zondag 24 januari 2010

Een grotere kans op een hartinfarct voor vrouwen met diabetes en met een eerste graad familielid met een voorgeschiedenis van een hartinfarct.

Deze studie onderzocht de relatie tussen een positieve familiegeschiedenis voor hart- en vaatziekten en de kans op een hart- vaatziekte bij menopauzale vrouwen. Deze studie werd uitgevoerd in de zogenaamde ‘Women's Health Initiative Observational Study’, een studie waarbij 2642 vrouwen met diabetes, in de menopauze zonder hart- en vaatziekte in de voorgeschiedenis werden gevolgd. Onderscheid werd gemaakt tussen personen die wel of niet een eerste graad familielid hadden met een hartinfarct. Er werd gekeken naar het optreden van een hartinfarct, coronaire revascularisatie of overlijden door een hart- of vaatprobleem.

Wat bleek nu?
Gedurende een follow-up van 7,3 jaar kregen 14,3% een hart- en vaatziekte. Het risico van een hart- en vaat probleem bij vrouwen die een eerste graad familielid hadden met een hart- en vaatziekte, was 50% hoger (relatief risico van 1,5 met een 95% betrouwbaarheidsinterval: 1,2-1,9). Dat risico nam af als de deelnemers aan de studie tweemaal of vaker per week lichamelijke activiteit ondernamen (het relatief risico daarvan was 0,7 met 95% BI: 0,5-0,9).

De onderzoekers concluderen dat het hebben van een eerste graad familielid het risico op een hart- en vaatziekte groter maakt en dat vooral lichaamsbeweging moet worden gestimuleerd.

Family history of myocardial infarction predicts incident coronary heart disease in postmenopausal women with diabetes: the Women's Health Initiative Observational Study
R Li, MJ O'Sullivan, J Robinson, MM Safford, D Curb, KC Johnson.
Diabetes / Metabolism Reviews 2009; 25: 725-732

vrijdag 15 januari 2010

Nieuwe publicatie van de Hoorn Studie

De relatie tussen het HbA1c en de nuchtere en 2 uurs glucose waarden in de Nieuwe Hoorn Studie.
In de Nieuwe Hoorn Studie die in 2006 begon, hebben wij onder andere de bovenstaande relatie onderzocht. In de hele groep mensen was de relatie niet erg groot, maar bij mensen met diabetes was de relatie wel heel groot. Bij een HbA1c vanaf 5,8% ontdek je 72% van de mensen die diabetes hebben waarvan wij het niet weten. De diagnostische kenmerken vielen dus best tegen. Te meer omdat een werkgroep van 'wijze' mannen eerder had voorgesteld de glucose te vervangen met HbA1c.
Wel weer een mooie studie uit Hoorn!

van 't Riet E, Alssema M, Rijkelijkhuizen JM, Kostense PJ, Nijpels G, Dekker JM.
Relationship between A1C and glucose levels in the general Dutch population: the new Hoorn study.Diabetes Care. 2010 Jan;33(1):61-66

maandag 11 januari 2010

insuline behandelingen vergeleken

Het doel van de studie
Het doel van deze studie was veranderingen in beeld brengen die teweeg worden gebracht door een insuline behandeling bij type 2 diabetes patiënten.

De opzet van de studie
De opzet was een retrospectieve cohort studie uit een elektronische patiënten dossier met meer dan 9 miljoen patiënten in 35 staten van de VS. De database bevatte informatie van 2004 t/m 2008. Het betrof mensen die voornamelijk door huisartsen werden behandeld. De patiënten die in het onderzoek werden opgenomen, waren ouder dan 18 jaar en werden voor het eerst met insuline behandeld en daarna voor 6 maanden gevolgd. Er werd gekeken naar het verloop van de BMI en het HbA1c.
Verschillende soorten insuline werden meegenomen, snelwerkend insuline, mixed insuline en humaan of analoog langer werkende insuline.

Resultaten van de studie
Het HbA1c verschilde niet tussen de analoge insulines. De humane langer werkende insuline verlaagde het HbA1c minder. Bij detemir was de gewichtstoename minder dan van glargine en humane langer werkende insuline. Detemir liet een 0,1 reductie zien van de BMI, terwijl bij glargine de BMI steeg met 0,3 en bij humane langer werkende insuline met 0,1. De verschillen waren klein maar wel statistisch significant.

Kanttekeningen
Wel zijn er een aantal kanttekeningen te plaatsen. De diabetes patiënten tussen de detemir groep en de glargine groep waren op baseline niet helemaal vergelijkbaar, zo was de aanvang HbA1c hoger bij de glargine groep en de patiënten in de detemir groep waren vaker nooit eerder voor de diabetes behandeld. Bovendien waren er missende waarden in de database, wat tot een bias kan leiden en het aantal met detemir behandelde patiënten was veel kleiner dan in de glargine groep (n=308 versus n=6262). Tenslotte is niet gecorrigeerd voor de onwillekeurige selectie die dokters maken bij een keuze van een insuline soort.

Conclusie
Een voorzichtige conclusie kan zijn dat analoge insulines een beter HbA1c geven na 6 maanden behandeling en dat glargine meer gewichtstoename geeft dan detemir, al zijn de verschillen bescheiden.

C. McAdam-Marx, J. Bouchard, M. Aagren, R. Nelson, D. Brixner. Analysis of glycaemic control and weight change in patients initiated with human or analog insulin in an US ambulatory care setting. Diabetes, Obesity and Metabolism 12: 54–64, 2010.

zondag 10 januari 2010

Een meta-analyse naar de ontwikkeling van retinopathie in de afgelopen jaren, een studie van Wong en andere in Diabetes Care december 2009

In een meta-analyse keken Wong en andere naar de ontwikkeling van retinopathie in een periode tussen 1975 en 2008.

Men vond 28 studies met 27.120 patiënten en vonden een gepoolde incidentie van 11% voor proliferatieve retinopathie en 7% voor gezichtsvermogen verlies. Men zag dat de recentere studies lagere incidentie cijfers lieten zien.

In de periode 1975-1985 was de incidentie voor proliferatieve retinopathie 11,5% en voor ernstig gezichtsverlies 6% en in de periode 1986-2008 was dat respectievelijk 6,6% en 2,6%.

Het idee is dat type 2 diabetes patiënten strikter worden behandeld.